Show all 18 cards in this deck▾
Everyday verbs (infinitive).
- zijnto be
- hebbento have
- gaanto go
- komento come
- etento eat
- drinkento drink
- slapento sleep
- werkento work
- sprekento speak
- willento want
- makento make
- doento do
- ziento see
- wetento know
- kunnento be able
- lopento walk
- lezento read
- schrijvento write